Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten
Maandag 6 oktober: van Esztergom naar Máriagyüd
Na een korte rit komen we bij de enorme basiliek, waar we de avond tevoren op weg naar ons hotel al langs gereden waren. We gaan naar de crypte waar we de H. Mis zullen hebben. Daar aangekomen blijkt een groep Hongaren er de rozenkrans te bidden. Zij behoren tot de groep mensen die hier ieder 6e van de maand bijeenkomen om te bidden voor de zaligverklaring van kardinaal Mindszenty. Zij wijken voor hun mis, opgedragen door een Hongaarse mon-seigneur, die ook een tijd in Brugge heeft verbleven en met wie later voor hij weer vertrekt nog enige Nederlandse liederen worden gezongen, uit naar het hoofdaltaar in de basiliek. In deze crypte is in 1991 kardinaal Mindszenty bij-gezet.
Het heeft iets intiems deze crypte, zeker zo in de nabijheid van het graf van de kardinaal. Ik kan me nog heel goed herinneren hoe ik als kind op de radio hoorde van de Russische inval in Hongarije in 1956. Ik vond dat toen vreselijk. Ook hoorde ik in die tijd over kardinaal Mindszenty.
Later las ik zijn memoires. Ik heb altijd veel bewondering voor deze man ge-had en de handelwijze van het Vaticaan nooit begrepen. Mooi is het zo dicht bij zijn graf een H. Mis te hebben. Na de mis staan we bij zijn graf. Er naast hangen vele linten, enkele kransen en wat foto’s. Indrukwekkend in zijn een-voud.
We bezoeken de schatkamer en zien relieken van vele heiligen: koning Stepha-nus, Emmerik, Ladislaus, Elisabeth, Adelbert, bisschop Gellert, Lucas en Mat-theüs. Er staat een kazuifel van 12 kg, koorboeken van 40 en bijna 50 kg en een monstrans van 12 kg. Er is zeer veel te bewonderen.
Vanaf de hoogte achter de basiliek kijk ik nog even naar de nieuwe verbinding tussen Hongarije en Slowakije. Er is veel veranderd sinds mijn vorige bezoek hier in 1980.
Vervolgens rijden we langs de Donaudelta en hebben daar prachtige uitzich-ten. Het bezoek aan Vác, dat vandaag op het programma stond, bewaren we voor morgen. Dan is er meer tijd voor.
We rijden langs een oude handelsroute uit de tijd van de Romeinen. We zien huizen die aan de straatkant erg smal zijn. Dit had te maken met de belasting die betaald moest worden en waarbij de breedte van het huis aan de voorzijde bepalend was. Naar achteren zijn deze huizen behoorlijk uitgebouwd.
We rijden richting Visegrád waar we de resten van het koninklijk paleis zien en uitstappen onderaan de burcht die met het paleis verbonden was. Een aantal van onze groep beklimt de heuvel. Ik heb het niet zo op trappen en steile heu-vels en blijf beneden.
Weer verder rijdend vertelt chauffeur Johan ons over de voormalige ‘vak-bondshotels’. Er bestond echter in Hongarije geen vakbond, maar mensen in een bepaalde bedrijfstak konden er zeer voordelig verblijven. Wat was de staat toch goed! Nu zijn het geen staatshotels meer, maar private hotels, die na het communistische regiem een behoorlijke opknapbeurt hebben gekregen.
We komen door Boedapest en maken er al een klein beetje kennis mee: de opgravingen in Oboeda, de Kettingbrug, het Parlement, het beeld van bis-schop Gellert.
Dan is het een lange rit naar Máriagyüd; lang in de zin van veel kilometers, vervelen doen we ons niet. We horen ook nog de preek en zingen het slotlied van de mis. We stoppen bij een pas geopend wegrestaurant voor de lunch. Ze zijn er niet op een buslading mensen berekend. Het weer is prachtig, 21°.
We brengen al een kort bezoek aan het heiligdom te Máriagyüd. Morgen zullen we er langer verblijven. Dan gaan we naar hotel Baranya te Harkány. We ver-bazen ons over de vele hotels in zo’n kleine plaats. Het blijkt een kuuroord te zijn. Het diner is weer uitstekend. Zo eindigt weer een mooie dag.
Dinsdag 7 oktober: van Máriagyüd via Vác naar Boedapest
De avond ervoor hebben we al heel kort het exterieur van de kerk van Mária-gyüd kunnen bezichtigen in de eerste contouren van de aankomende herfst. Enkele minuten over acht vertrekken we naar de oudste bedevaartplaats van Hongarije. We verbleven in een karakteristiek hotel met hele mooie bogen als toegangspoort. Een hotel met een exterieur met karakteristieke kleuren voor dit gebied Villâny. We zagen onderweg veel van dit type gebouwen.
We rijden onder een ingangsgewelf door achteruit het terrein af. Voor velen aanleiding om hier een foto van te nemen. Een enkeling geeft de chauffeur aanwijzingen bij het achteruit rijden om het terrein te verlaten. Het was we-derom geen sinecure. Als we de straat uitrijden en richting Máriagyüd gaan, rijden we de heuvelrij tegemoet. De heuvelrij is begroeid met velden vol met druivenranken. ‘Het wijngebied van Villány’. Aangekomen bij Máriagyüd rij-den we over een lommerrijke 500 meter lange laan op, die naar het heiligdom gaat. In de verte zien we de kerk in steenrood met wit, heel karakteristiek. Een mooie rustieke laan omgeven met bomen en typische kleuren. Recht tegenover de kerk een wijnbottelarij. Wat opvalt is, dat dit gebied behoort tot de rijkere gebieden. We zijn niet ver van de grens met Kroatië en Servië.
Bij het heiligdom aangekomen treffen we een gesloten kiosk aan, die naar het inzicht van chauffeur Johan gelukkig nog gesloten is. Al heel vroeg, 8.30 uur, hebben we er de dagelijkse eucharistieviering. Alles oogt nog donker en koud. De deur is echter wel geopend. In een kleine ruimte worden de voorbereidin-gen getroffen voor de dagelijkse eucharistieviering. We zingen ons maar warm zo in deze kille kerkruimte. Tijdens de preek krijgen we uitleg over de icoon, het beeld, wat geschonken is door de bisschop en dat hier vereerd wordt. Het is een kopie. Het origineel wordt bewaard in de stad van het diocees, Pécs. De glas-in-loodramen gecombineerd met het invallend licht maken indruk op me. Het is een kunstenaar van een glazenier geweest, die dit gemaakt heeft. Na afloop van de eucharistieviering wandelen we wat rond. We wijzen elkaar op de bijzondere bezienswaardigheden. We bewonderen een kerk die van top tot teen gerenoveerd is door Andreas Szilágyi.
Ik koop er een kerkelijke jaarkalender met alle belangrijke Mariafeesten en per dag de te vieren heiligen. Wat ik ermee ga doen, weet ik op het moment van de koop nog niet. In de entree van de hal van de kerk lezen we de geschiedenis van deze bedevaartplaats. We hadden er in de bus al van gehoord. Al vanaf het jaar 1006 kent Máriagyüd een indrukwekkende geschiedenis met vele ups en downs. Zelfs is het gebouw als moskee gebruikt tijdens de overheersing door de Turken. In de 18e eeuw vonden er ruim 300 wonderen plaats. Om die reden is Máriagyüd in het begin van de 19e eeuw tot bedevaartplaats verklaard. Velen hebben er gebedsverhoringen ontvangen of ondervonden bijzondere krachten. Velen keerden verrijkt huiswaarts.
Na de eucharistieviering bidden we gezamenlijk de kruisweg. 14 staties met zachte kleurrijke afbeeldingen in een heuvel opgaand prachtig bosgebied. De herfstkleuren maken het compleet. De 14 staties, die een harde werkelijkheid uitbeelden, zijn gemaakt van prachtige mozaïeken met hele zachte kleuren. Wat een enorme religiositeit van de makers van deze staties. Het herinnert me aan de Hongaarse kruisweg in Fatima.
Na afloop krijgen we de gelegenheid om op eigen gelegenheid de heilige bron te bekijken. We zien een buitenaltaar, dat versierd is met bloemen en kaarsen. Even buiten het terrein is een kleine winkelgalerij in aanbouw. Het lijkt erop, dat dit souvenirwinkeltjes zullen worden.
Tegen het eind van de ochtend vertrekken we richting Boedapest. We rijden door soms heuvelachtig dan weer vlak landschap. We zien akkerland met veel-vuldig verdorde maïshalmen. Een kenner op de achterbank zegt het kort maar krachtig. ‘Dit akkerland schreeuwt om mest’. Er volgt een kort maar krachtige uitdrukking, die getuigt van levenswijsheid. ‘Rijke boeren hebben een rijk land en arme boeren een arm of verdord land’. Een voor mij als stadsmens nog nooit gehoorde levensfilosofie.
Na een stop onderweg in een wegrestaurant, waar we op een terras goulash-soep met brood nuttigen in een echte vakantiesfeer met een zonnetje bij rond de 23 graden gaan we op weg naar Vác. Een plaats, die we de dag ervoor over-geslagen hadden. Om 16.30 uur stappen we langs een drukke verkeersweg uit. We wandelen al pratende naar de kerk door een bosgebied met staties. Het duurt even voor we er kunnen binnengaan. We ontmoeten een vriendelijke kloosterling, die ons rondleidt. Door de kerk heen laat hij met trots als eerste het schilderij van de heilige familie zien, dat is gemaakt met het haar van een moeder, wier kind is genezen van blindheid. Het schilderij is een cadeau als gevolg van deze wonderbaarlijke genezing. Met de haarlokken van de moeder is het schilderij geschilderd. Verder is er een scala aan religiositeiten te zien. We verdringen ons er. Een benepen ruimte, die allesbehalve opgeknapt is. Door de invallende duister is het tamelijk donker in de kerk. Een beetje jam-mer.
In het hoofdaltaar van de kerk ‘Zeven Kapellen’ de Maria-icoon, die hier al heel lang wordt vereerd. Net als in Máriagyüd komt ook hier de koninklijke dynastie van Géza naar voren in de 11e eeuw. Was het in Máriagyüd koning Géza de tweede, die een kerk liet bouwen. In Vác is het hertog Géza I, die een kerk liet bouwen als herinnering aan de overwinning bij de slag van Magyoród. Hertog Géza I bouwde de kerk ter ere van de heilige maagd Maria. Volgens de legende heeft een hert de plaats bepaald. De gelovigen vereren na de bouw de hier opgerichte kapel met de naam ‘gezegende heilige Maria Hert’.
Na de invasie van de Tartaren in 1246 werd de kerk herbouwd met de naam ‘heilige Maria bronnen’.
De huidige kerk werd gebouwd van 1718 tot 1734 in de stijl van de barok. Dit kerkgebouw heeft de status gekregen van een historisch gebouw. Later is het uitgebreid met een klooster. De zeven kapellen/staties vertegenwoordigen de geheimen van de rozenkrans of de zeven smarten. De naam, die eraan gegeven werd luidt: Zeven kapellen. In 1738 werden de staties voltooid.
Het openluchtaltaar en het katheder werden in 1949 gebouwd. Op het hoofd-altaar van de kapel is een kopie van de Maria-icoon van het klooster van de heilige Paulus in Máriavölgy (Vrouwe/Mariadal).
Volgens de overlevering werd de icoon door een meubelmaker uit Vác mee-gebracht. Hij zou een teken/ingeving hebben gekregen tijdens zijn slaap van de heilige Maagd Maria om de icoon naar een bron te brengen vlakbij de stad Vác. Kreupel en verlamd als hij was, zou hij dat met veel opofferingsgezind-heid en met vele ontberingen gedaan hebben. Tijdens deze tocht zou hij op wonderbaarlijke wijze genezen zijn.
Links en rechts van het hoofdaltaar zien we afbeeldingen van de heilige Ferenc en heilige Anna. Verder zien we in de kerk nog afbeeldingen van Hongaarse heiligen met ieder hun eigen geschiedenis. Rechts achterin de kerk is de mooie afbeelding te zien van de heilige Család képe.
De kerk, de zeven kapellen, is sinds 1815 een bedevaartplaats. De gedenkdag van deze kerk wordt gevierd op 12 september. Het is de officiële dag van de bedevaart van het diocees Vác.
Na een wandeling naar de heilige, geneeskrachtige bron van Vác en een rond-wandeling langs de 14 kruiswegstaties in de tuin gaan we richting de bus. Van-af hier gaan we naar ons hotel in Boedapest. Het kost moeite om het hotel te vinden. We komen er ’s avonds verlaat en vermoeid aan. Het hotel is ca. 25 km buiten het centrum van Boedapest. We genieten van een welverdiend diner.
Woensdag 8 oktober: Bezoek aan Boedapest
Om 06.45 uur worden we telefonisch gewekt en de eerste volledige dag in Boedapest breekt aan.
De eerste nacht in Hotel Hunor in Noord-Boeda zit erop. Slecht geslapen. Dat de kwaliteit van de kamer niet geheel aan de verwachtingen voldoet, merk je ´s nachts niet, en is daaraan dus niet debet. Vooral de sanitaire voorzieningen roepen vraagtekens op. Echter, als pelgrim accepteer je zonder morren het een en ander.
Jó reggelt, nou ja, op dit vroege uur. Voor het ontbijt kunnen we terecht vanaf 07.30 uur. Toch niet zo héél vroeg, gelet op andere dagen. Koffers inpakken is vandaag niet aan de orde, gezien ons verblijf in dit hotel tot zaterdag. Velen zijn al ruim voor de vastgestelde tijd in het restaurant aanwezig. Ook wij slui-ten aan bij de rij voor het ontbijtbuffet. Al wachtend realiseer je je dat als je met honger vertrekt, je dat zelf schuld bent. Hoewel als pelgrim onderweg, doen ook wij ons tegoed aan de overvloed. Dan laten we het vakantiegevoel prevaleren.
Na afloop nog even naar de kamer en dan is het om 08.30 uur verzamelen bij de hoofdingang van het hotel. Een groot avontuur gaat beginnen. We gaan met bijna de gehele groep naar de stad. Klinkt eenvoudig maar dat blijkt het in de praktijk niet. We gaan namelijk niet met de bus van Maaskant, maar met de tram en te voet. Als dat maar goed gaat. Een aantal mensen gaat overigens niet met de tram maar met de taxi. Met zijn allen lopen we naar station Békás-megyer. Pastoor Rudo koopt de kaartjes voor de jongeren (onder 65 jaar!) en dan allemaal in de tram van HÉV die om 09.11 uur vertrekt. Het instappen gaat zonder enig probleem en we beginnen aan een rit van circa 10 km naar het eindstation Betthyány tér. Een tramcontroleur had tijdens de rit zijn slag kunnen slaan met de boete op de niet-afgestempelde tramkaartjes. Alles gaat verder prima en er is genoeg te zien. Als een uitgelaten schoolklas zijn we on-derweg en de Hongaarse medepassagiers vragen zich af welke rare taal die vreemde snoeshanen spreken. Alsof wij ons dat omgekeerd niet afvragen. Dat ikzelf (Toon), met mijn wagenziekte, steeds misselijker word, moet ik maar accepteren. Voordat het al te erg wordt, bereiken we de eindbestemming met weer voldoende frisse lucht en meer stabiliteit onder de voeten. Jó napot.
Aansluitend op pad naar de Burchtwijk in het stadsdeel Boeda. Van het station naar de St. Matthiaskerk is een hele afstand met een flink hoogteverschil. De straten en de exacte route onthouden we niet, wél dat we op de route nogal wat trappen tegenkomen. Een hele klim dus, pufpuf. Overigens is die voor ons best te doen, gezien onze wandelactiviteiten. Voor de ouderen (en de ou-den) hebben we echter veel respect. Ook zij komen boven, maar de dag is nog lang niet ten einde.
Onze eerste bestemming is de crypte van de St. Matthiaskerk, waar om 11.00 uur de dagelijkse Heilige Mis begint. Pastoor Rudo celebreert en ik (Toon) ben vandaag acoliet. Toch altijd weer een voorrecht, zo kort bij het altaar te kun-nen zijn. Ook vandaag valt het weer op hoe intens alle pelgrims meevieren en meezingen. (In de thuiskerken valt dat nog wel eens tegen.)
Of komt dat door de stichtende woorden en het voorbeeld van pastoor Rudo en door zijn prachtige zangstem. Wij denken van wel, hetgeen dan betekent dat zijn pastorale inzet tijdens deze reis ´gehoor` vindt. Uiteraard verricht Toos weer haar dagelijkse taak als collectante en is Els weer actief als organis-te. Hulde voor beiden.
Na de Heilige Mis gaat iedereen zijn eigen weg. Op de heuvel is voldoende te zien en te bewonderen. Wij bezoeken de gotische St. Matthiaskerk met het gebeente van Koning Béla III en zijn echtgenote, het Drievuldigheidsplein met het barokke Oude Raadhuis en de barokke Drievuldigheidszuil, het Vissers-bastion dat diende als uitkijkpunt en ter verfraaiing van de stad, met het schit-terende uitzicht op de Duna en het stadsdeel Pest, en het beeld van de heilige Koning Stefanus I vóór het Vissersbastion. Dat we ook een aantal markante plekken niet bezoeken is te wijten aan tijdgebrek. Geen nood overigens, want we komen hier nog terug met de bus en met een gids.
Met een groepje van ca. 10 personen gaan we nog lunchen in een cafetaria. Vooral goulashsoep is gewild, maar ook andere gerechten. Het afrekenen duurt even maar tenslotte zijn we om 14.00 uur op de afgesproken verzamel-plek naast de kerk. Een aantal personen zal nog enige tijd op deze mooie plaats blijven en dan een taxi nemen naar het hotel.
De anderen hebben een wandeling van naar schatting 1 uur voor de boeg. Onze bestemming is het `Huis van de Terreur`. Vooralsnog lopen we in da-lende lijn, hoe kan het ook anders, en bereiken we de meest bekende brug van Boedapest, de Kettingbrug. Deze brug is de eerste permanente verbinding over de Duna tussen Boeda en Pest. Hij werd aangelegd tussen 1839 en 1849 en is waarachtig een juweel met zijn statige torens. Vanaf de brug zien we aan onze linkerkant het 200 meter brede Parlementsgebouw, het grootste gebouw van Hongarije. Op de oever van Pest aangekomen, draaien we ons om en zien in de verte en in de hoogte het Koninklijk Paleis en de St. Matthiaskerk op de Burchtheuvel. Het is een geweldige aanblik op het Burchtkwartier dat, naar onze mening, terecht onderdeel is van het Werelderfgoed. We vervolgen onze weg langs de Hotels Sofitel en Intercontinental. Er is o.a. rond deze hotels nogal wat politie op de been. We vernemen dat morgen, donderdag, een NA-VO-top in Boedapest zal plaatsvinden. Een aantal deelnemers daaraan verblijft in deze hotels en derhalve, helaas noodzakelijk, is het alle (bewakings)hens aan dek. Onze verdere wandelweg voert langs Roosevelt tér, Jozsef Attila utca en de imponerende Andrassy ut, een van Boedapests mooiste boulevards. We hebben onderweg oog voor schitterende gebouwen, o.a. de St. Stefanusbasi-liek, de grootste kerk met de zwaarste klok van Hongarije, en de Staatsopera. Ook met deze gebouwen zullen we op een van de komende dagen nog nader kennis maken. De Opera lopen we trouwens snel even binnen, op advies van Toos, om de prachtige hal met de marmeren zuilen, het vergulde plafond, de muurschilderingen en de kroonluchters te bewonderen. Al wandelend realise-ren we ons dat ook in deze straat tijdens de Hongaarse opstand in 1956 de Russische tanks zullen hebben gestaan.
Onze bestemming is huisnummer 60, het voormalige gebouw van de Hon-gaarse veiligheidsdienst. Daarin vindt een permanente tentoonstelling plaats over de verschrikkingen van het bewind van de Hongaarse nazi´s en van de communisten. Het museum documenteert zeer gedetailleerd de wrede gebeur-tenissen die hier plaatsvonden van 1936, toen de Hongaarse nazipartij het gebouw als hoofdkwartier annexeerde, tot 1956, toen het een club werd voor de Jonge Communisten. Het meest angstaanjagende deel van het drie verdie-pingen tellende museum is de kelder waar verschillende cellen zijn nagebouwd. De gezichten van de personen aan de gevel van het gebouw alsmede op ver-schillende plaatsen aan de binnenzijde `vragen` om er voor te zorgen dat oor-log niet meer voorkomt. Direct herinneren we ons dat sinds het einde van de Tweede Oorlog er inmiddels wereldwijd 250 grote en kleine oorlogen hebben plaatsgevonden en nog plaatsvinden.
Om 17.00 uur verzamelt de groep zich om de terugweg te aanvaarden, richting station. We hebben in het museum genoeg documentatie verzameld om ons thuis rustig in te kunnen verdiepen.
Tot aan de Kettingbrug lopen we dezelfde route terug, in de hoop en de ver-wachting dat we morgen, donderdag, tijdens de stads- en avondtour door deze mooie stad veel wetenswaardigheden zullen vernemen. Gelukkig ligt de brug er nog en is hij niet opgeborgen in de tunnel die in het verlengde ervan ligt. Ook nu rijdt er trouwens weer een taxi met een aantal personen richting hotel. Gedurende het laatste stuk tussen de brug en het station zien we dat een aantal mensen op de `velgen` loopt. Het is me dan ook wel een eind dat we aan de wandel zijn en de temperatuur is de hele dag al boven de 20 graden. Compli-ment aan alle volhouders. Het stuk met de tram alsmede het laatste stukje te voet geven geen aanleiding tot bijzonderheden.
Jó estet. Het avondeten is eenvoudig, goed en vooral noodzakelijk door de vandaag verloren gegane energie. Nagerechten geven meestal aanleiding tot raadspelletjes. Niemand weet wat het is of welke smaak het heeft. Het echte nagerecht aan onze tafel is het ´college` dat Herman aan de tafelgenoten (Nol-lie, Pierre, Ans, José, Toon) geeft over het ontstaan van het heelal. `Zeer inte-ressant van de professor`, aldus Pierre. Dat het Gods Schepping is, wisten we overigens al tevoren en niet eerst sinds vandaag. Op tijd naar bed na toch ze-ker een vermoeiende dag. Jó éjszakát.
Donderdag 9 oktober: Boedapest: rondtoer, St. Stephansdom en Basi-liek Máriaremete
Al om 8 uur vertrekken we met onze Hongaarse reisleidster Irene naar Boeda-pest. Onderweg vertelt ze over de historie van deze stad. Boedapest met meer dan 2 miljoen inwoners bestond uit drie steden, namelijk voor ⅓ uit het heu-velachtige Boeda (dat water betekent) en Óboeda aan de westoever van de Donau dat vlak en tevens het oudste gedeelte is, en voor ⅔ uit Pest (dat kachel betekent) dat eveneens vlak is en aan de oostoever van de Donau is gelegen. In 1873 zijn deze steden samengegaan. De Donau stroomt dwars door de stad heen. In de arm van de Donau ligt het eiland Margaretha, zo genoemd naar een koningsdochter, de H. Margaretha van Hongarije.
In 1839 werd de eerste permanente brug over de Donau gebouwd, de zoge-naamde Kettingbrug. Hij is 380 meter lang en wordt gedragen door twee to-rens. Wij rijden langs het parlementsgebouw met zijn rode ronde koepel. Een echte blikvanger op weg naar de St. Stefansbasiliek. Hier hebben wij de H. Mis. Deze basiliek is gewijd aan de eerste christelijke koning van Hongarije, St. Stefan of István. De rechterhand van deze koning wordt hier bewaard. De bouw begon in 1851 met als basis het Griekse kruis. De kerk is opgetrokken in een neoclassicistische stijl. De koepel is versierd met mozaïeken en 96 m hoog. De kerk is in Boedapest overal zichtbaar. Hierna stappen we de bus in en krij-gen een rondtoer door de stad. Wij komen langs het standbeeld van koning István. Hij leefde van ca. 975 tot 1038 en heeft een staf in zijn hand met twee kruizen. De betekenis hiervan is dat hij koning is over het land en koning is over de kerk. Wij komen langs de grote Synagoge gebouwd in Byzantijns-Moorse stijl. Deze stond in een grote joodse wijk die in de Tweede Wereldoor-log werd platgebrand door bombardementen. De wijk is nu een gedenkpark geworden. De Synagoge zelf bleef behouden omdat in de torens de radiozen-ders van de Duitsers zaten. Veel gevels van de prachtige gebouwen waren al schoongemaakt, zoals het operagebouw en het stationsgebouw. Wij rijden met de bus naar de Graaf Andrássylaan. Graaf Andrássy is in onze tijd vooral be-kend uit de Sissifilms. Deze laan is opgebouwd uit vier delen. Een smalle straat met hoge gebouwen, dan een wat bredere straat met wat lagere bebouwing, daarin zitten de winkels, dan een brede staat met nog lagere gebouwen met een voortuintje, dan een brede staat met grote villa’s eraan, waar de ambassades en regeringsgebouwen zijn gevestigd. Deze straat komt uit op het Heldenplein. Het millenniummonument uit 1896 is de trots van Hongarije. In de zuilengale-rijen staan beelden van bekende en onbekende Hongaarse leiders. Op de grote centrale zuil staat de aartsengel Gabriël. Wij rijden door het stadspark en ko-men badhuizen tegen die in 1876 zijn gebouwd toen de bevolking op 970 m diepte warmwaterbronnen ontdekte die genezende krachten bleken te bezitten. Wij rijden langs het operagebouw richting de Burchtheuvel, 60 m boven de Donau. Daar krijgen we weer een rondleiding. In de straten branden nog gas-lampen. Even verderop ligt het Koninklijk Paleis waar vroeger de Habsburgers hebben gewoond. Een bronzen vogel, de Turulvogel, bewaakt het paleis. Op de langste hangbrug (de Elizabethbrug, in 1945 verwoest en weer als hangbrug herbouwd), zien we het standbeeld van de bij de Hongaren geliefde vrouw van Frans Jozef: keizerin Elizabeth of Sissi staan. We gaan naar de Gellértheuvel. Deze heuvel is vernoemd naar Bisschop Gellért die tijdens een heidense op-stand in een doos levend van de berg de Donau in werd gerold. Bisschop Gel-lért staat daar als standbeeld met opgeheven kruis. Hij zegent de stad en is tevens de beschermheilige van deze stad.
Al deze bezienswaardigheden worden vanwege de NAVO-top opgeluisterd door veel politie met loeiende sirenes. Om 16.00 uur vertrekken we naar het bedevaartoord Máriaremete aan de noord-west-rand van de stad. Het park met de genadebron ligt er vredig bij. Om 18.00 uur zijn we weer in het hotel Hu-nor in het noorden van Boedapest terug. Snel eten, want we krijgen vanavond nog een lichttoer met rondvaart langs de Donau! Boedapest bij avond blijkt een sprookjesstad met al de lichtjes die onder meer de Kettingbrug en de prachtige gebouwen aan de Donau aanlichten. Ten slotte hebben we op de Burchtheuvel een blik over de verlichte stad kunnen werpen. Een mooie af-sluiting van deze prachtige dag!
Vrijdag 10 oktober: Bezoek aan Petöfiszállás en de Poesta
Na een goede nachtrust en een stevig ontbijt vertrokken we richting de Poesta. Het zou een mooie ontspannende dag worden. Irene, onze Hongaarse gids, begeleidde ons in de bus naar de Poesta. Haar Nederlands was buitengewoon goed – dus goed verstaanbaar. Zij vertelde ons dat de Hongaren een ijverig volk waren, dat ze veel paprika’s verbouwden en er een scherpe soep of saus van kookten. Ook zagen we onderweg herders met grote kudden schapen, zelfs kudden met koeien en een herder – ze liepen zo over de velden en woes-te poesta’s. De landerijen waren er uitgestrekt, het land was goed bewerkt, ook was er nog veel onbebouwde grond, dus eigenlijk poesta, en daar waren wij naar onderweg.
Zeer mooie ongerepte natuur, een onherbergzaam gebied. De najaarskleuren veranderden het geheel in een wondere wereld.
De vroegere allerarmste Hongaren verhuisden naar deze slechte streken, waar ze met de paarden samenleefden en toch een enigszins leefbaar bestaan op-bouwden. Later is dit een toeristische trekpleister geworden. Zodoende ver-dienen deze mensen een stuk gemakkelijker hun brood.
Op de poesta aangekomen werden we reeds vergezeld door een chico op zijn woeste merrie, die voor onze bus uitreed.
Aan de ingang werden wij hartelijk verwelkomd door een mooie Hongaarse schone, met een versterkend drankje en een koekje dat daarbij hoorde te sma-ken, en wij gingen gelijk met zijn allen op de foto. En toen kwamen de chico’s met paarden en karren – niet te geloven dat wij als gecultiveerde mensen op die kar moesten. Dat was lachen geblazen, aangezien ik de laatste was, mocht ik bij de chico op de bok – en ja hoor, dat was direct poesie poesie. Tot grote hilariteit heb ik de man hartelijk gekust en daar gingen wij in volle galop over de poesta. Het waren vurige paarden. Het kostte de chico moeite om ze in toom te houden. Stel die kar was eens omgekiept. Maar, het was een beste chico. Hij wist hoe hij met die dieren moest omgaan.
Het was een prachtige rit over die uitgestrekte poestalanden. De zon scheen en wij genoten van dit prachtige natuurgebeuren. Voor mij had die rit nog wel een uur mogen duren, maar er stond nog meer op het programma van die dag.
Wij kwamen bij een boerderij waar wij werden onthaald op echte poestawijn en een zalige oliebol door de vrouw des huizes ter plekke in olie gebakken. De heer des huizes toonde ons een zeer brede jas van schapenbont, waaronder hij zijn vrouw kon verbergen, of de vrouw van de buren zonder dat zijn eigen vrouw het in de gaten had - maar gelukkig hadden zij geen buren, dus dat vo-geltje ging niet op, dus ben ik maar bij de heer des huizes samen onder de schapenjas gekropen wat een mooie foto opleverde.
In het grappige huisje was een ouderwets keukentje, dat we mochten bezichti-gen. De pan met de heerlijk geurende olie stond nog op het fornuis, de slaap-kamer grensde aan het keukentje. In de zomer een zaligheid om in te slapen, maar in de winter bitter koud. Ondanks alles kon ik het niet nalaten even het ganzenveren bed uit te proberen - inderdaad ik zakte een halve meter diep in het ganzenveren bed, waarna ik daarna de kuil niet meer eruit kon krijgen - dat had eventjes tijd nodig zich te herstellen - de boerin zal het me wel niet kwalijk genomen hebben, want ’s avonds moest zij er in met haar poestaman.
Verder toonde de boer ons zijn voorraad heerlijke zelfgemaakte worsten in zijn voorraadkelder en de paprika’s, door zijn vrouw ingemaakt in glazen pot-ten - wat deed dit alles aan vroeger denken - wat is ons leven toch veranderd, van één kant hebben wij het veel gemakkelijker, maar sommige dingen zijn ook weer veel ingewikkelder. Op het erf van de boer liepen een aantal mooie ganzen en kippen; sommige een beetje eigenaardig, een kruising met een kalkoen of zoiets, het leek een vreemde vogel, maar zij voelden zich prima op hun plaats. Drie zeer dikke ronde gevlekte varkens met vrij lang haar, zij knorden alsof ze in de zevende hemel waren met z'n drieën in een hok, dus plaats genoeg. Verder twee lieve honden en een poes. De boer was de schapen gaan zoeken. Zij waren gewend in de vrije natuur te lopen en wij moesten zijn mooie dieren toch goedkeuren en bewonderen. Met een oude aftandse motor reed hij de poestabinnenlanden in. Na een half uur, daar kwam hij met de meute aan. Ze wisten, als we thuis komen, krijgen we een lekker hapje, dus direct op de voerbak af - mooie schapen met gedraaide horens en erg lang wollig haar - toch weer anders dan bij ons.
Weer teruggebracht door de chico’s kregen wij een prachtige show aangebo-den met de poestapaarden. Zij lieten ze allerhande kunstjes doen. Ook mijn chico kwam aanrijden met een karretje met twee ezeltjes en twee kleine pony-paardjes. Na afloop gooide hij zijn hoed in het publiek, zodat ik wat extra geld voor hem kon ophalen. Bij inlevering van de hoed werd weer hartelijk gekust.
Johan, de buschauffeur, vertelde de dag erna, dat de politie een chico met een karretje met twee ezeltjes en twee kleine pony’s van de autoweg had gehaald.
Hij was op weg naar Nederland. Maar goed dat het zo ver weg was, nu is ie-dereen weer op zijn eigen plek.
Daarna konden wij aan grote gedekte tafels plaatsnemen, waar ons een gewel-dig maal werd opgediend. Wat een feestelijkheid.
Vervolgens stegen wij met ons allen zeer voldaan in de bus. Nu nog 133 km richting Petöfiszállás, waar meneer pastoor de heilige mis voor ons opdroeg in het prachtige kerkje met mooie glas-in-loodramen en net zo prachtig en vol praal als alle bedevaartplaatsen. Dit alles ter ere van Onze Lieve Heer.
Op het terrein bevindt zich een kastje waarin een beeld van het kindje Jezus staat, geschonken door een Tsjechisch koningspaar dat hun kind verloren had. Behalve een kerk en kapel is er in deze bedevaartplaats een bron. De legende verhaalt dat uit deze bron in 1795 een straal van licht verscheen, waaruit Maria tevoorschijn kwam. Sindsdien heeft het water uit die bron een helende wer-king en veranderde het plaatsje in een bedevaartsoord.
Na al de belevenissen van deze dag ging het weer in opgewekte stemming, vergezeld van een mooie zonsondergang, terug naar het hotel in Boedapest, waar een heerlijk avondmaal op ons stond te wachten. Wat een gezellige dag was dat.
Zaterdag 11 oktober: van Boedapest via Mátraverebély-Szentkút en Ma-tragebergte naar Eger
De Mariabedevaartplaatsen in Hongarije zijn van een natuurlijke schoonheid; prachtige parken liggen rondom pittoreske kerken.
Zo ook in Mátraverebély-Szentkút. De Heilige Mis die we hier vierden in de kerk van de Grote Moeder was heel mooi. Na de H. Mis werd een kijkje ge-nomen bij de bron van Vereb waaraan genezende kracht wordt toegekend.
De overheersing van de Turken loopt als een rode draad door de kerkelijke geschiedenis van Hongarije. Nadat de Turken vertrokken waren, hebben de Franciscanen ervoor gezorgd dat hier een bedevaartplaats kwam.
Na de vele moeilijke jaren onder het communisme heeft deze orde hier weer de leiding. Naast de kerk kwam een klooster. Ook was er een boomgaard met vele appeltjes onder de bomen.
Achter de kerk in het hoger gelegen gedeelte bevonden zich kluizenaarsgrotten die mogelijk al in de 13e eeuw bewoond werden. Zelfs in de 17e eeuw en 18e eeuw werden ze nog gebruikt door kloosterlingen.
Dit gebied in het Matragebergte vormt overigens de longen van Boedapest, uitermate geschikt voor recreatie. Rond 11.30 vertrokken we vervolgens naar Eger. Hier hadden we tijd om een lichte lunch te gebruiken en de basiliek te bezoeken. Deze hoog gelegen kerk is de op een na grootste van Hongarije.
De geschiedenis van Eger is verbonden met het Stierenbloed; de rode wijn die in 1552 vermengd werd met het bloed van stieren. Burchtkapitein Istvan Do-bo verzette zich destijds met 2000 soldaten tegen een oppermachtig leger van 100.000 Turken. De vrouwen van Eger vermengden de wijn met echt stieren-bloed. Ze hoopten dat de mannen hierdoor extra kracht zouden krijgen. Dit bleek een succes, de burcht viel echter in 1596 alsnog in Turkse handen.
En toen allemaal weer in de bus naar de wijnproeverij. We hadden een Duits sprekende gids die zich uitstekend van haar taak kweet. Na de uitleg over de technische details van de wijnmakerij werden we verrast door de gezelligheid. De tafels waren goed bezet en na een tijd ontstond er uiteraard een lichte hila-riteit.
Het Stierenbloed kwam als laatste aan de beurt. Ongetwijfeld de beste wijn. Diegenen die niet gespuwd hadden, kregen nog een extra glaasje. Vrolijk ver-trokken we naar het hotel, dat zeer goed was. Dit plaatsje zal voor ons een mooie en goede herinnering zijn.